Wettelijke verplichting ladingzekering

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet verplicht chauffeurs om lading te beveiligen zodat deze niet kan vallen of de stabiliteit van het voertuig beïnvloedt. De chauffeur is verantwoordelijk, ook als een opdrachtgever de lading heeft geladen. Controleer altijd vóór vertrek.

Vier methoden van ladingzekering

1. Blokkeren: lading blokkeren met schotten, wiggen of andere lading zodat het niet kan bewegen. Meest effectief.
2. Vastklemmen/klemen: lading inknellen tussen zijwanden of met klemmen vastplaatsen.
3. Steunen: lading stutten met houten balken, antiwipmiddelen of kunststofprofielen.
4. Sjorren: lading met sjorbanden, kettingen of stroppen bevestigen aan de vloer of wanden van de wagen.

Krachten bij ladingzekering (EN 12195)

De norm EN 12195 bepaalt de krachten waartegen geladen moet worden:
Rijrichting (voorwaarts): 0,8g (80% van het gewicht)
Achterwaarts: 0,5g
Zijwaarts: 0,5g
Een pallet van 1000 kg moet dus voorwaarts 800 kg kracht kunnen opnemen. Sjorbanden moeten voldoende Lashing Capacity (LC) hebben.

Antislipmat (friction)

Antislipmatten verhogen de wrijving tussen lading en laadvloer. Hogere wrijving = minder sjorkracht nodig. Matten van rubber of speciaal kunststof. Berekening: wrijvingsgetal μ = 0,3 voor hout op staal (zonder mat), μ = 0,6 voor hout op antistrip mat.

Controle onderweg

Controleer ladingzekering na de eerste 25 km en daarna periodiek (lange ritten: iedere 150 km of na 3 uur). Sjorbanden losser geworden? Herbevestigen. Lading verschoven? Stop, herstel situatie, ga dan pas verder.

Examentip ladingzekering

"Wie is verantwoordelijk voor ladingzekering?" (altijd de chauffeur). "Welke kracht voorwaarts?" (0,8g). "Wat zijn de vier methoden?" (blokkeren, klemen, steunen, sjorren). "Wanneer tussencontrole?" (na 25 km en daarna regelmatig).